Sonnet

Mijn lief, ik wil je beeldhouwen,
je handen beitelen tot ruwe herinnering,
in winters marmer je benen bewaren,
teenkootjes kerven tot ik ze versta.

Ik wil het borsthaar tekenen dat zich 's avonds
knop na knop van je hemd ontdoet,
het litteken schetsen dat slaapt op je schouder,
je sleutelbeen kennen, de lijn van je nek.

In ochtendlicht zal ik je schilderen, wanneer
geloken pupillen geen verf vermoeden
en op het laken je rug onwetend welft

- maar je lippen, die warm zijn als niets
en zo gulzig mijn lichaam benoemen,
vergen het onvermogen van een gedicht.

Geen opmerkingen: