Stilleven

De wereld draait, naar men zegt.

Ik kijk uit op gele bloemen, een rode vier is mijn adres. In de verte loeien
ziekenwagens om aandacht en ik lig

week als het gras, net zo geurend
naar vervlogen regen. We ademen,
het gras en ik, we wachten.

We weten niet waarom.

Het begin

Als een appel die rijpt, even
trilt in de wind en dan valt:
zo mag het gebeuren.

Je vader staat klaar, de armen
open als een mand om in thuis te komen.
Ik, de tak die je bent ontgroeid,

beweeg nog even na, spreid
mijn bladeren voor je uit als nest.
Ik geef je de zaden mee voor later.


In: Het Gezeefde Gedicht | maart 2016

Sonnet

Mijn lief, ik wil je beeldhouwen,
je handen beitelen tot ruwe herinnering,
in winters marmer je benen bewaren,
teenkootjes kerven tot ik ze versta.

Ik wil het borsthaar tekenen dat zich 's avonds
knop na knop van je hemd ontdoet,
het litteken schetsen dat slaapt op je schouder,
je sleutelbeen kennen, de lijn van je nek.

In ochtendlicht zal ik je schilderen, wanneer
geloken pupillen geen verf vermoeden
en op het laken je rug onwetend welft

- maar je lippen, die warm zijn als niets
en zo gulzig mijn lichaam benoemen,
vergen het onvermogen van een gedicht.

Writer's Block

Ik ben de waterkant, ik rem de stroom
die mij bewoont met mijn gedachten.
Ik streel en slijt, bouw wal tot wal
een dam waar zij verslagen strandt.

Van alle leegte is deze het minst transparant.

zonder titel

daarom is het vandaag herfst

blaadjes zijn we, zoekend
naar waar de boom is gebleven
je hebt ons afgegeven

aan het gras van de morgen
wij dekken je wortels toe
bewaken je vruchten